Enkele kranten schrijven vandaag dat de ministers en hun kabinetten lijden onder een lawine aan parlementaire vragen.
Het stijgend aantal vragen is ondermeer een rechtstreeks gevolg van de punten die dezelfde kranten vlak voor de parlementsverkiezingen gaven aan de parlementsleden. Het aantal vragen was ondermeer bepalend om te zeggen of je nu een goed of minder goed parlementair zou zijn.
Dit is absoluut onzin: alsof een auteur zou worden beoordeeld op basis van het aantal boeken die hij ooit schreef, of een componist op basis van het aantal liedjes, of een journalist op basis van artikels...
Ook in het artikel van vandaag blijft men de norm handhaven en krijgen sommigen een sneer: "Ook A.P. en H.Y. hebben schijnbaar amper de behoefte aan het stellen van vragen" (HBVL). Voor anderen wordt het vergoelijkt...
In een parlementaire democratie vult iedere mandataris zijn taak in zoals hij dat zelf wenst, zonder betutteling, ook niet van de pers. Het enige jurylid is de kiezer. En de kiezer weet goed dat er - zoals in het voetbal - spitsen zijn en verdedigers. Want politiek is een ploegsport, met een taakverdeling binnen de fracties.
Waar ik voor wil waarschuwen is dat men het stellen van parlementaire vragen aan banden wil leggen. Want dat is de ironie: wat tot gisteren norm was voor goed parlementair werk, wordt nu bijna gezien als een hinderpaal voor de werking van de instellingen.
"Het probleem is vooral voelbaar in de kamer". Ik wil de parlementsvoorzitter wel een goede raad meegeven. In hun zoektocht naar een werkbaar of meer ‘efficiënt' systeem mogen zij niet tornen aan het fundamentele recht van het individuele parlementslid op vraagstelling. Dit steunt immers op het principe van ministeriële verantwoordelijkheid ten opzichte van de kamer (of Vlaams parlement). De techniek van de parlementaire vraag werd al in 1897 ingevoerd.
Het vragenrecht behoort toe aan de afzonderlijke leden en niet aan de kamers in hun geheel. "Om het even welk parlementslid van de meerderheid of de oppositie, al dan niet vooraanstaand, ook indien hij de enige is van zijn partij of oriëntering, kan dit actiemiddel met succes gebruiken. Het is één van de instrumenten bij uitstek om de regering te controleren. Het systeem van vragen stellen is een noodzakelijk onderdeel van onze parlementaire democratie, ook al omdat deze zich niet enkel moet bezighouden met de grote beslissingen, maar ook met de vele kleine zaken waaruit het maatschappelijk leven bestaat" (Van Impe, 1971).
Met andere woorden: waarom zou een parlementslid geen vraag mogen stellen over een onveilig kruispunt, een vervuilde waterloop of een fabriekssluiting in zijn streek? Hij mag en moet de vragen stellen die leven bij zijn kiezers, die zij belangrijk vinden.
Ik heb in mijn politieke carrière heel wat vragen gesteld. En ik kan u verzekeren: ook vroeger al werd er gegrommeld over die "vervelende" parlementaire vragen. Er is niets nieuws onder de zon.
En nog dit: in deze tijd van gedigitaliseerde databanken en dossieropvolging kan het voor een goed georganiseerde regering geen probleem zijn om 40 of zelfs 80 vragen per dag te beantwoorden, indien men zijn administratie voldoende vertrouwen geeft.
Het woord van de volksvertegenwoordiger is vrij en zijn recht op vraagstelling heilig en mag niet ondergeschikt worden aan een inhoudelijke toetsing.
Johan Sauwens