Het staat groot in de kranten: “Jan Peumans: ‘Ik ga meer ingrijpen!’” (DS 4/01/2010 p.9)
De Vlaamse Parlementsvoorzitter wil op die manier het debat beter stroomlijnen: “de parlementsleden moeten leren om naar de sprekers te luisteren en om niet te herhalen wat een ander al gezegd heeft (…) Daarom is het geen slecht idee om de nieuwkomers bij te scholen en een cursus te geven hoe ze hun talenten beter kunnen aanwenden.” aldus Peumans …
Het zou hilarisch zijn… als hij het niet meende.
Mijn goede vriend begeeft zich hier op glad ijs: het woord van de volksvertegenwoordiger in een democratie is vrij, en hoeft niet aan banden gelegd te worden. Een minimum aan afgesproken regels volstaat. Inhoudelijke goed- of afkeuring door de parlementsvoorzitter hoort hierin niet thuis! En als bepaalde redevoeringen al ergens in een commissie ooit eens besproken zijn… so what? De kiezer zal wel oordelen wie te veel “domme vragen” heeft gesteld.
Het voorzitterschap hoeft niet “presidentieel” te worden.
In alle fracties hoor ik klachten over het aantal vragen dat “onontvankelijk” is verklaard, en bijgevolg niet gesteld mogen worden. Het begrotingsdebat was op het infantiele af: met de chronometer in de hand – “u hebt nog 20 seconden”. Ik werd er moe van, ben een koffie gaan drinken…
De parlementsvoorzitter zit voor een stuk gevangen in een dynamiek waarin hijzelf een belangrijke rol speelde: op het einde van de vorige legislatuur verschenen er in de kranten lijstjes van goede en slechte parlementsleden. Wat opviel was dat, naast het aantal vragen en tussenkomsten, ook het aantal decibels mee de uitslag bepaalden: de grootste roepers scoorden goed. Een stille collega uit een buurgemeente, die altijd trouw aanwezig was, kreeg een nul. Ik zie hem niet meer…
Die lijstjes, die opgesteld worden door journalisten die we vrijwel nooit zien in het parlement, hebben wel degelijk een effect gehad bij de verkiezingen. De gevolgen ervan laten zich raden: het hele parlement licht in een kramp van veel tussenkomsten en vragen. Niemand wil in 2014 een nul krijgen.
En dus moet de kampioen vragensteller van gisteren zijn erg vernieuwde parlement beletten té veel vragen te stellen. Een weinig parlementaire attitude, geef toe.
Als parlementslid hebben wij één echte jury: de kiezer. Jan zou beter, weg van camera en microfoon, een gesprek aangaan met de Vlaamse hoofdredacteurs om te zien hoe degelijke berichtgeving – die gericht is op kwaliteit – zinloze puntenlijstjes zou kunnen vervangen.
En Jan, de beste nieuwslezer is diegene, die - zonder op te vallen - de informatie correct overdraagt aan de kijker. De beste scheidsrechter is diegene, die – met gezag – weinig fluit en het spel laat doorgaan. Dit geldt ook voor de parlementsvoorzitter: jezelf wegcijferen en een debat over het echte politieke spanningsveld, de scherpe analyse ruimte bieden. Misschien een idee voor een cursus?