woensdag 15 juli 2009

11 juli toespraak

11 juliviering 2009

Dames en heren vertegenwoordigers en leden van het diplomatieke korps, van het Hof, van de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht, van de levensbeschouwelijke en

filosofische strekkingen, van de pedagogische, economische, sociale en culturele instellingen en organisaties, en van de media.

 

Als tijdelijk voorzitter is het voor mij een eer, om u namens het Vlaams Parlement van harte welkom te mogen heten in deze fraaie Gothische zaal van het Brusselse stadhuis. In het bijzonder wil ik de nieuwe leden van het Vlaams Parlement, die na de verkiezingen van 7 juni hun intrede hebben gedaan en vandaag voor het eerst aanwezig zijn op deze 11 juliviering, van harte welkom heten.

 

Ik wil eerst het stadsbestuur van Brussel danken dat het zich bereid toonde opnieuw de deuren van dit statige gebouw open te zetten voor de viering van onze Vlaamse feestdag. Brussel is niet alleen onze hoofdstad, het heeft ook historisch sterke banden met de Vlaamse gemeenschap.

 

Sinds 1973 geldt 11 juli als de officiële feestdag van de Vlaamse Gemeenschap. Op die dag wordt, zoals u weet, de historische overwinning herdacht die een Vlaams leger, dat voor het overgrote deel bestond uit ongeoefend voetvolk, op woensdagmorgen 11 juli 1302 boekte op een Franse legermacht die was uitgestuurd om het gezag van de Franse koning Filips IV in het graafschap Vlaanderen te herstellen.

 

Op dat moment maakte Brussel, net zoals de steden Leuven, Antwerpen en Breda, geen deel uit van dat graafschap Vlaanderen, maar van het hertogdom Brabant, en dat zou nog eeuwen zo blijven. Precies omdat Brussel een Brabantse stad was, bleef het - hoe paradoxaal dat nu misschien ook mag klinken - eeuwenlang heel wat Nederlandser dan Vlaamse steden zoals Gent en Brugge. Het toenmalige Vlaanderen hing immers van Frankrijk af en het Frans stond er dan ook heel wat sterker dan in Brabant, dat tot het middeleeuwse Duitse Rijk behoorde. In 1792, vlak voor het begin van een Franse bezetting die twee decennia zou duren, werd het aantal Franstaligen in Brussel nog altijd maar op vijf procent geraamd.

 

De massale verfransing begon pas in de 19de eeuw. Op dat moment was er in Brussel een spectaculaire bevolkingsaangroei en onderging  het, naast vele andere veranderingen, ook op stedenbouwkundig gebied een revolutie. De bevolking van Brussel steeg van 100.000 inwoners in 1830 naar meer dan 600.000 rond de eeuwwisseling. Desalniettemin zou nog tot diep in de 19de eeuw de grote meerderheid van de Brusselaars Nederlandstalig blijven.

 

Zo bleek bij de talentelling in 1842 nog dat meer dan 60 procent van de Brusselaars Nederlandstalig was. Nadat bij de tellingen een categorie ‘tweetalig' was ingevoerd, steeg het aantal mensen dat zichzelf als tweetalig bestempelde, meteen aanzienlijk: van 38 percent in 1866 naar 51 percent in 1890. Nadien nam, zoals bekend, de verfransing hand over hand toe, al ontbreken daar eenvormige cijfers over.

 

De geschiedenis van Brussel is dus Vlaams gekleurd en het Nederlands - of althans een variant ervan - was er eeuwenlang de voertaal van de overgrote meerderheid van de bevolking. Het is dus geen toeval dat we onze feestdag in deze stad vieren, zoals het ook geen toeval is dat deze stad de hoofdstad van Vlaanderen is. Onze poort naar de wereld. Kijk maar naar de Nederlandse benamingen van de schitterende panden op de Grote Markt.

 

De Vlaamse Feestdag is elk jaar weer een gelegenheid om even om te kijken, een stand van zaken op te stellen en vooruit te blikken.

 

Toen aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw in onze steden en gemeenten de gewoonte ingang vond om elk jaar de Guldensporenslag te herdenken, leefden de meeste Vlamingen in materiële en geestelijke armoede. Niet voor niets kreeg de vertaling van de reportagereeks "A travers les Flandres" van August De Winne, journalist bij Le Peuple, de titel "Door arm Vlaanderen". Toen De Winne in 1901 zijn reportages schreef, was de zogenaamde Gelijkheidswet, die het Nederlands als officiële staatstaal naast het Frans erkende, pas drie jaar oud. De strijd van de Vlaamse Beweging voor de gelijkstelling van het Nederlands, die na 1898 werd voortgezet, was voorwaarde voor het doorbreken van de armoede en de sociale, economische en intellectuele achterstelling van Vlaanderen. Dat de leidende standen in Vlaanderen afgestemd waren op de Franse taal en cultuurwereld, hield de arbeider gevangen in zijn proletenbestaan en belette de kleine burger op te klimmen op de maatschappelijke ladder. De Vlaamse Beweging wordt terecht een sociale beweging genoemd.

 

Vlaanderen is, in vergelijking met de meeste Europese buren, een zeer welvarende regio. Het is echter geen eiland in Europa en nog minder in de wereld, en het mag onder geen beding op zijn lauweren gaan rusten. De wereld evolueert immers in een razendsnel tempo en er moeten antwoorden worden gegeven op diverse grote uitdagingen. Denken we maar aan de wereldwijde financiële en economische crisis, het energievraagstuk, de vergrijzing van de bevolking, de klimaatverandering, de mobiliteitsproblematiek enzovoort.

 

Vanuit het besef dat die grote maatschappelijke uitdagingen een langetermijnstrategie noodzakelijk maken, lanceerde de vorige Vlaamse Regering het ambitieuze project Vlaanderen in Actie, afgekort als ViA. In het raam van dat project werd onder meer een benchmarking gedaan met onze Europese buren. Het resultaat daarvan was het rapport ‘Vlaanderen vergeleken', waarin onze regio op een aantal goed meetbare punten naast andere Europese regio's wordt geplaatst: het bruto binnenlands product of bbp, de werkgelegenheidsgraad, de werkzaamheidgraad, de arbeidsproductiviteit, demografische kenmerken enzovoort.

 

Omdat Vlaanderen de ambitie heeft om tegen 2020 bij de top 5-regio's in Europa te behoren, werd het niet alleen vergeleken met 131 andere regio's uit de 27 lidstaten van de Europese Unie, maar inzonderheid met 15 zogenoemde voorbeeldregio's - zo u wil de beste leerlingen van de klas.

 

Voor de best bekende economische welvaartsindicator, het bbp per hoofd, mag er dan nog altijd een opmerkelijk verschil zijn - Vlaanderen deed het daar met 26.891 euro koopkrachtpariteiten per inwoner in 2005 een stuk beter dan het Waalse Gewest (19.584 euro) - de 31ste plaats die Vlaanderen daarmee behaalde in Europa is nog een stuk verwijderd van de geambieerde plaats in de top twintig.

 

Waar het de zogenoemde competitiviteitsindicatoren betreft, zijn de verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië een stuk kleiner. Bij die cruciale indicatoren gaat het om de arbeids-eenheidskosten (het gemiddelde loon), de arbeidsproductiviteit (de bruto toegevoegde waarde per bezoldigde tewerkgestelde) en de verhouding tussen beide: de loonkosten per eenheid product.

 

Vlaanderen en Wallonië delen bovendien nog een belangrijke troef: een goed opgeleide beroepsbevolking. Anno 2007 had 36,5% van de werkenden in Vlaanderen een diploma van hoger onderwijs, in het Waalse gewest was dat zelfs nog iets meer: 37,2. Dat percentage geeft een indicatie van het aanwezige talent in een gebied en is dus zeer belangrijk met het oog op de toekomst.

 

Het aan Vlaanderen en Wallonië toegekende zelfbestuur heeft voor beide regio's onmiskenbaar heel wat voordelen meegebracht. Mede dankzij die grotere autonomie gaat het goed met onze regio en met het overgrote deel van de Vlamingen. Dat blijkt onder meer steevast uit de jaarlijkse rapporten over de Vlaamse regionale indicatoren, het zogenoemde VRIND-rapport. Zo is de tevredenheid van de Vlamingen, uitgedrukt in een globale tevredenheidsindex, Europees gezien zeer hoog. Ook op economisch gebied blijven we het goed doen, al laten de gevolgen van de wereldwijde economische crisis zich uiteraard ook hier gevoelen.

 

Op donderdag 9 juli zijn de nieuwe Regionale economische vooruitzichten 2008-2014 van het Federaal Planbureau verschenen.

 

In de projectieperiode zou een groei­verschil tussen de drie gewesten in het voordeel van Vlaanderen blijven bestaan, maar het zou wel afnemen in vergelijking met vroeger.

De vermindering van de groeiverschillen sinds 1994 wordt in grotere mate verklaard door een relatieve afbrokkeling van de Vlaamse groeiprestaties dan door een sterkere groei in Wallonië of Brussel.

 

We stellen vast dat volgens die vooruitzichten de al grote verschillen in werkgelegenheidsgraad  tussen Vlaanderen enerzijds en Wallonië en Brussel anderzijds blijven toenemen. Hetzelfde geldt voor de werkloosheidsgraad.

 

Zo was er, wat de werkgelegenheidsgraad betreft, in 2008 een verschil tussen Vlaanderen en Wallonië van 9,4 procentpunten en van Vlaanderen t.o.v. Brussel van 12 procentpunten.

In 2014 zullen die verschillen gegroeid zijn tot 10,8 respectievelijk 13 procentpunten.

 

Inzake werkloosheidsgraad was er in 2008 een verschil van Vlaanderen t.o.v. Wallonië van 9,7 procentpunten en tussen Vlaanderen en Brussel van 13,3 procentpunten. Die cijfers evolueren in 2014 naar 11 procentpunten voor Vlaanderen-Wallonië en 13,2 procentpunten voor Vlaanderen-Brussel.

 

De Waalse werkloosheidsgraad zou zich op zijn best stabi­liseren op middellange termijn. Die minder goede pres­tatie van Wallonië op het gebied van de werkloosheid op middellange termijn zou toe te schrijven zijn aan de onvoldoende toename van zowel de binnenlandse werkgelegenheid (weliswaar opnieuw positief in 2011) als van de uitgaande pendel, ten opzichte van de ver­wachte verhoging van de beroepsbevolking. Zo zou de Waalse werkgelegenheidsgraad in 2014 nog ver onder het niveau van 2008 blijven. In het Vlaamse Gewest zou de werkgelegenheidsgraad tegen 2014 het niveau van 2008 benaderen.

 

Het is duidelijk dat deze vaststelling ons - Vlamingen en Franstaligen  - ertoe moet aanzetten om samen een oplossing te zoeken voor het groeiende probleem van onderfinanciering van onze sociale zekerheid.

Dat is des te urgenter in het licht van de groeiende armoede en de snel toenemende vergrijzing in Vlaanderen en Wallonië.

 

In het kader van het debat over de homogene bevoegdheidspakketten is het interessant om weten wat Vlaanderen met de verworven competenties al gedaan heeft.

 

En belangrijke eigen bevoegdheid is uiteraard het onderwijs. Het Vlaamse onderwijs scoort hoog en staat ook internationaal zeer hoog aangeschreven. Dat wordt bevestigd door internationaal vergelijkend onderzoek, onder meer uit het Pisa-project (waarbij Pisa staat voor ‘Program for International Student Assessment'), uirgevoerd in opdracht van de OESO,  dat de leerprestaties meet van 15-jarigen inzake leesvaardigheid, en wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid. Op een aantal domeinen behoort Vlaanderen zonder meer tot de top. Degelijk onderwijs is een zeer belangrijke troef: een goed opgeleide beroepsbevolking is immers een conditio sine qua non voor de ontwikkeling van een eigentijdse, innovatiegedreven economie.

 

Vlaanderen heeft ook van verkeersveiligheid een prioriteit gemaakt, onder meer door de aanleg van fietspaden en het wegwerken van de zwarte punten. Het resultaat was een geleidelijke daling van het aantal verkeersdoden: in de periode 2000-2006 was er zelfs een daling met 36 percent. Het aantal verkeersdoden tijdens nachtelijke weekendongevallen is in Vlaanderen in de periode 2001-2007 zelfs gehalveerd. De Vlaamse Regering stelt de zogenaamde nulvisie voorop, met andere woorden een slachtoffervrij verkeer. Die ambitieuze doelstelling is uiteraard enkel op zeer lange termijn haalbaar. Op kortere termijn wil men tegen 2010 de achterstand ten opzichte van de Europese koplopers inzake verkeersveiligheid gehalveerd zien. Het Vlaamse Verkeersveiligheidsplan gaat nog verder: tegen 2015 mogen er nog maximaal 250 doden en dodelijk gewonden vallen op onze Vlaamse wegen.

 

Ook van zijn bevoegdheden voor het milieubeleid, heeft Vlaanderen uitstekend gebruikgemaakt. Toen in 1990 Aquafin op initiatief van het Vlaamse Gewest werd opgericht om de waterzuiveringsinfrastructuur in Vlaanderen in versneld tempo op peil te brengen, bedroeg de zuiveringsgraad van het afvalwater in Vlaanderen 52%. Begin 2008 was dat al toegenomen tot 72 percent, wat wil zeggen dat in theorie ongeveer 4,32 miljoen inwoners aangesloten zouden moeten zijn op collectieve waterzuivering. Sinds het begin van dit jaar is er in alle grote Vlaamse agglomeraties een zuiveringsinstallatie operationeel en heeft Vlaanderen een belangrijke mijlpaal bereikt bij de uitvoering van de Europese richtlijn Stedelijk Afvalwater. Het gezuiverde stedelijke afvalwater bleek in 2008 bovendien van ronduit uitstekende kwaliteit: 97,8% van onze zuiveringsinstallaties voldeed aan alle opgelegde normen. En de resultaten zijn er: er zit opnieuw vis in Demer en Schelde, en zelfs in de Zenne is er opnieuw paling gesignaleerd.

 

Vlaanderen is zich terdege bewust van de grote impact van het milieu op de hedendaagse samenleving. Een getuige daarvan is MIRA, het Milieurapport Vlaanderen. MIRA beschrijft, analyseert en evalueert de toestand van het Vlaamse leefmilieu, bespreekt het gevoerde milieubeleid en blikt vooruit op mogelijke ontwikkelingen van het milieu volgens een aantal relevant geachte scenario's. Uit die rapporten komt duidelijk naar voren dat we, meer nog dan in het verleden het geval was, in de nabije toekomst aandacht zullen moeten hebben voor duurzame energie.

 

De grote verschillen tussen beide landsdelen kunnen niet worden ontkend, evenmin als het gegeven dat een verdere staatshervorming onafwendbaar zal zijn. De behoefte aan een verdergaande staatshervorming wordt ook door de OESO onderkend. In het economische rapport voor 2009 dat de OESO deze week bekendgemaakt heeft toont de organisatie zich immers zeer bezorgd over de budgettaire inefficiëntie en het groeiende overheidstekort in ons land, en ziet de OESO als oplossing alleen een staatshervorming, waarbij de deelstaten meer financiële verantwoordelijkheid krijgen.

 

Die evolutie mag ons er echter niet van weerhouden om daar waar het kan en moet, solidair te zijn met elkaar, in het besef dat de beide regio's van dit land in wereldperspectief bekeken, zich nog altijd zeer bevoordeeld mogen noemen.

 

Dames en heren, ik wil hier kort ook even de aandacht vestigen op een bijzondere verjaardag. Tien jaar geleden, om precies te zijn op 3 maart 1999, keurde het Vlaams Parlement met een grote meerderheid vijf resoluties goed, met het oog op een nieuwe ronde in de staatshervorming.  

In een eerste resolutie, over de algemene uitgangspunten en doelstellingen voor de volgende staatshervorming, wordt gesteld dat coherente bevoegdheidspakketten tot efficiënter en meer kwaliteitsvol bestuur moeten leiden en dat de solidariteit tussen gewesten behouden moet blijven op basis van objectieve, duidelijke en doorzichtige mechanismen en omkeerbaarheid.

 

De uitbouw van de financiële en fiscale autonomie in de volgende staatshervorming kwam in de tweede resolutie aan bod: het Vlaams Parlement wil de volledige bevoegdheid inzake de gewestbelastingen en de overdracht van de bevoegdheden inzake personenbelasting.

 

In de derde resolutie werden een aantal eisen geformuleerd in verband met Brussel:

  • - de Brusselse leden van het Vlaams Parlement moeten rechtstreeks worden verkozen;
  • - de beide taalgroepen moeten op alle beleidsniveaus een gegarandeerde vertegenwoordiging krijgen;
  • - een aantal gemeentelijke bevoegdheden moeten aan het gewest worden overgedragen;
  • - de negentien gemeenten moeten worden gefuseerd.

 

Resolutie 4 betrof het tot stand brengen van meer coherente bevoegdheidspakketten in de volgende staatshervorming en bevatte aldus een verlanglijstje met concrete bevoegdheden. De vijfde resolutie ten slotte herinnerde aan het territorialiteitsbeginsel en het principe van niet-inmenging. Vlaanderen eiste aldus administratief toezicht op over de randgemeenten en Voeren, en vroeg inspraak in de samenstelling van het Rekenhof, het Arbitragehof, de Raad van State en de Hoge Raad voor Justitie.

 

Een aantal van die terechte vragen en verwachtingen mogen dan intussen al gerealiseerd zijn, het mag duidelijk zijn dat deze resoluties voor het overgrote deel nog altijd actueel en richtinggevend blijven!


Dames en heren, iedere beleidsverantwoordelijke dient de hem toegewezen opdrachten en middelen te beheren als een goede huisvader. Vlaanderen tracht dat zo goed mogelijk te doen, met respect voor het Europese en Belgische wettelijk kader.

 

Niemand kan ons dit kwalijk nemen. Het is onze plicht ten opzichte van onze bevolking. Het betekent enkel de toepassing van het Europees aanvaarde principe van de subsidiariteit. Wij vragen respect voor de gemaakte afspraken. Pacta sunt servanda, zowel inzake de taalgrens als inzake de toegewezen bevoegdheden.

 

En wanneer wij zien dat andere regio's het op verschillende domeinen beter doen dan wij, dan is dat voor ons geen aanleiding voor zure oprispingen, maar zet dat ons aan om een tandje bij te steken.

 

Wanneer Wallonië betere exportcijfers kan voorleggen, of voorsprong neemt in de aanleg van windmolenparken, is dat voor ons een aansporing om het zelf in de volgende legislatuur beter te doen. Zo werkt het systeem.

 

Het subsidiariteitsbeginsel zegt dat een probleem opgelost moet worden op het niveau waarop het zich voordoet, tenzij een hoger niveau een betere oplossing heeft. Met andere woorden: de verantwoordelijkheid moet men op het laagst mogelijke niveau leggen - en dat geldt zowel voor de opvoeding en de zorg, als voor het leger, het gerecht, de politiek en de samenleving in het algemeen. Indien het principe vandaag geformuleerd zou worden, zou men van het bottom-upbeginsel spreken.

 

Uiteindelijk willen wij komen tot een constructief federalisme of confederalisme. We hebben federalisme te lang bekeken door een negatieve bril, als een middel om ‘communautaire problemen' op te lossen, om ‘blokkeringen' te voorkomen, om ‘wafelijzerpolitiek' te vermijden. Het is tijd om de communautaire loopgraven te verlaten en het wantrouwen op te geven. Het is tijd om het confederalisme door een positieve, constructieve bril te bekijken: als een weg naar een beter bestuur, als een middel om Vlaanderen en Wallonië in staat te stellen de uitdagingen waarvoor ze staan, krachtiger en doelmatiger aan te pakken; als een instrument voor Vlaanderen en Wallonië om,  naar eigen inzicht,  hun welvaart en welzijn veilig te stellen, als een wissel op de toekomst van Vlamingen en Franstaligen.

Een constructief federalisme geeft elke deelstaat de ruimte om zijn bevoegdheden ten volle uit te oefenen, zonder daarin gehinderd te worden door een andere overheid.

 

Een constructief federalisme geeft elke deelstaat de bevoegdheden en de (financiële) middelen om een beleid op maat van zijn mensen te voeren. Een constructief confederalisme laat de bondsstaat en elke deelstaat de volledige verantwoordelijkheid dragen voor zijn beleid. Dat houdt in dat elke overheid rekenschap aflegt voor de besteding van haar financiële middelen en de financiële vruchten van haar beleid kan plukken.

 

Tot slot wil ik vandaag een lans breken voor verzorgd en begrijpelijk taalgebruik.

 

De gemeenschappen zijn sinds 1971 bevoegd voor de bescherming en luister van de taal.

Die bevoegdheid zorgt ervoor dat de Vlaamse Gemeenschap normen kan uitvaardigen inzake correct taalgebruik. Daarnaast biedt die bevoegdheid ook een rechtsgrond voor een beleid ter promotie van de Vlaamse literatuur in binnen- en buitenland.

Maar we hebben niet alleen de wettelijke opdracht luister en bescherming van de taal, wij zijn ook verantwoordelijk voor de eigen praktijk.

Als Vlaamse overheid kunnen wij bogen op een traditie van taalverzorging. Denk maar aan de taaladviesdiensten die sinds het begin van de jaren 90 bij de wetgevende en de uitvoerende macht zijn opgericht. Die diensten kijken toe op verzorgd en begrijpelijk taalgebruik in de Vlaamse regelgevende teksten en in de Vlaamse administratieve teksten, zoals formulieren en brieven. De cel Taaladvies van de regering heeft zelfs een Taaltelefoon waar burgers met hun taalvragen terechtkunnen.

De Vlaamse overheid investeert dus in verzorgd en begrijpelijk taalgebruik. En dat is ook echt nodig.

Als ik om me heenkijk en vooral als ik goed luister, stel ik vast dat er de laatste dagen nogal wat ‘ingezet wordt op'. Waarom zeggen we niet gewoon dat we daarin gaan investeren?

Ik hoor veel politici beweren dat ze ‘voor een duurzame ontwikkeling gaan'. Waarom zeggen ze niet meteen dat ze daarvoor kiezen?

Ten slotte wordt alles ‘gefaciliteerd'. Gelukkig maar dat alles wordt ‘vergemakkelijkt'.

 

Waarom kiezen wij politici, wij gezagsdragers voor die vage, verhullende woorden? Het wordt er voor de burger niet makkelijker op om alles te begrijpen. En die begrijpelijkheid is de overheid aan haar burgers verplicht.

Wie de taal van de overheid niet begrijpt, kan geen kennisnemen van zijn plichten. Wie de taal van de overheid niet begrijpt, kan ook geen kennisnemen van zijn rechten.

Begrijpelijk en verzorgd taalgebruik is met recht en rede een grote zorg voor de overheid.

Voor elke democratie is het noodzakelijk dat haar verkozenen begrepen worden.

Wie een heldere taal gebruikt, kan ook door zijn medeburgers begrepen worden. En begrip is een noodzakelijke voorwaarde voor elke samenleving.

Daarom heeft een hedendaagse maatschappij behoefte aan een correct en helder voorlichtingsbeleid dat de burger klare en objectieve informatie verschaft. Die aanpak past in een moderne visie op de relatie tussen burger en overheid en is een element van behoorlijk bestuur.

Het Vlaams Parlement is zich daarvan bewust en heeft daarom in 2006 het normenkader inzake Vlaamse overheidscommunicatie goedgekeurd. Onlangs, op 8 mei 2009, werd dat normenkader geactualiseerd.

De Vlaamse decreetgever heeft met dat normenkader de Vlaamse overheid de verplichting opgelegd om helder, in bevattelijke taal én in hedendaags Algemeen Nederlands te communiceren. Het Vlaams Parlement heeft eveneens een Expertencommissie voor Overheidscommunicatie opgericht, die er onder meer op toeziet of de Vlaamse overheid haar eigen communicatienormen wel naleeft.

Eén aspect uit dat normenkader Vlaamse overheidscommunicatie wil ik speciaal belichten. Waar het over beleid gaat, schrijft het normenkader voor dat de Vlaamse overheid in de eerste plaats streeft naar ‘communicatie in beleid', dat wil zeggen naar teksten die op zichzelf communiceerbaar zijn, die duidelijk zijn, zodat er achteraf geen extra communicatie hoeft te komen.

Het gebruik van begrijpelijke en verzorgde taal is een eerste voorwaarde om die vorm van beleidscommunicatie waar te kunnen maken. Daarom is het voor ons volksvertegenwoordigers en voor u allen, gezagsdragers hier aanwezig, belangrijk om duidelijke teksten te schrijven en om het vage, verhullende taalgebruik in uw teksten te weren. Wij, Vlaamse volksvertegenwoordigers, moeten er dagelijks op letten dat we duidelijk spreken en schrijven. Naast het ‘wetstratees" hebben we geen ‘Hertogsstratees' nodig!

 

Tot slot rest mij alleen nog de aangename taak u uit te nodigen voor het aperitief, dat we - met dank aan  de burgemeester en het schepencollege - opnieuw kunnen gebruiken op de stemmige binnenplaats van dit historische gebouw. Ik wil ook de medewerkers van de dienst Protocol van de stad Brussel danken voor hun inspanningen voor de praktische organisatie van dit evenement, evenals het jazzcombo 4U (For You), dat bereid werd gevonden aan deze viering ook een muzikaal cachet te geven.

Geachte aanwezigen, ik wens u allen nog een aangename feestdag!

 

Johan Sauwens

Gepost door Johan Sauwens om 10:06
Geez, that's unbleievalbe. Kudos and such.
Gepost door Fannie op zondag 17 juli 2011 om 08:01

Reactie plaatsen

Naam:


Reactie:


Inspired by 4xl